De Beursbengel nr. 0743 | April 2005


Zijn accountants en belastingadviseurs financiele dienstverleners?

Mr. C.J. de Jong

"

Consumenten en bedrijven laten zich ? terecht - graag adviseren over financiŽle producten. Veelvuldig betrekken zij daarbij ook anderen dan de tot de distributieketen behorende dienstverleners, bijvoorbeeld accountants en belastingadviseurs. De vraag is of deze dienstverleners moeten worden aangemerkt als financiŽle dienstverleners in de zin van de Wet financiŽle dienstverlening. In dit artikel probeer ik het antwoord op die vraag te geven.

Alleen al op grond van het aantal keren dat ?financiŽle dienstverlener? voorkomt in de tekst van de Wet financiŽle dienstverlening (Wfd) zou men mogen concluderen dat het hier gaat om een cruciaal begrip. Wie mocht denken dat dit begrip in de Wfd is gedefinieerd, komt echter bedrogen uit. De verklaring hiervoor is dat de Wfd een activiteitengeori`nteerde opzet kent. Dit houdt in dat de financiŽle diensten centraal staan en dat de activiteiten van een dienstverlener bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of die dienstverlener onder het Wfd-regime valt. Zo wordt bereikt dat in beginsel dezelfde normen gelden voor al degenen die diensten verlenen met betrekking tot financiŽle producten.

Generieke financiŽle diensten
De activiteiten van financiŽle dienstverleners waarop de Wfd van toepassing is bestrijken het gehele terrein van de financiŽle dienstverlening. Deze activiteiten bestaan uit aanbieden, adviseren of bemiddelen en zij kunnen betrekking hebben op een breed scala van financiŽle producten. Aanbieden, adviseren en bemiddelen zijn generieke financiŽle diensten, zij hebben betrekking op ?lle onder de Wfd vallende financiŽle producten.
Voor deze drie generieke financiŽle diensten geldt de Wfd slechts voorzover het gaat om dienstverlening aan consumenten. Dat zijn niet in de uitoefening van hun bedrijf of beroep handelende natuurlijke personen. Rechtspersonen kunnen dus nimmer worden aangemerkt als consument en beroeps- of bedrijfsmatig handelende natuurlijke personen evenmin. Op deze regel geldt ?`n uitzondering. Gaat het om een financiŽle dienst met betrekking tot een verzekering of een financieel product waarvan een verzekering deel uitmaakt, dan worden zij w?l als consument aangemerkt. Deze uitzondering vindt zijn oorsprong in de Europese Richtlijn Verzekeringsbemiddeling. Implementatie van deze richtlijn heeft er bovendien toe geleid dat de Wfd naast de genoemde generieke financiŽle diensten enkele specifieke financiŽle diensten kent: herverzekeringsbemiddelen en het optreden als (onder)gevolmachtigd agent.
Naast de traditionele financiŽle dienstverleners, die veelal onderdeel zijn van de distributieketen en voor wie de financiŽle dienstverlening hun hoofdactiviteit vormt, zijn er vele anderen die zich bewegen op het terrein van de financiŽle dienstverlening. Daarbij gaat het om beroepsbeoefenaren en bedrijven met een hoofdactiviteit buiten de financiŽle dienstverlening. Denk hierbij aan postorder- en andere bedrijven die op krediet verkopen en aan warenhuizen en winkelketens die klantenkaarten met betaal- of kredietfaciliteiten uitgeven. Of aan autodealers die bij aankoop van een auto een financiering en/of verzekering regelen. En verder aan accountants en belastingadviseurs die ? al dan niet in de vorm van een second opinion ? hun klanten adviseren op het punt van krediet, (pensioen)verzekering of beleggen. In dit artikel beperk ik mij tot deze laatste categorie van dienstverleners.

"

Log in om het hele artikel te downloaden


Zijn accountants en belastingadviseurs financiele dienstverleners?

Mr. C.J. de Jong

Consumenten en bedrijven laten zich ? terecht - graag adviseren over financiŽle producten. Veelvuldig betrekken zij daarbij ook anderen dan de tot de distributieketen behorende dienstverleners, bijvoorbeeld accountants en belastingadviseurs. De vraag is of deze dienstverleners moeten worden aangemerkt als financiŽle dienstverleners in de zin van de Wet financiŽle dienstverlening. In dit artikel probeer ik het antwoord op die vraag te geven.

Alleen al op grond van het aantal keren dat ?financiŽle dienstverlener? voorkomt in de tekst van de Wet financiŽle dienstverlening (Wfd) zou men mogen concluderen dat het hier gaat om een cruciaal begrip. Wie mocht denken dat dit begrip in de Wfd is gedefinieerd, komt echter bedrogen uit. De verklaring hiervoor is dat de Wfd een activiteitengeori`nteerde opzet kent. Dit houdt in dat de financiŽle diensten centraal staan en dat de activiteiten van een dienstverlener bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of die dienstverlener onder het Wfd-regime valt. Zo wordt bereikt dat in beginsel dezelfde normen gelden voor al degenen die diensten verlenen met betrekking tot financiŽle producten.

Log in om het hele artikel te downloaden


Asbestopruiming na brand, jurisprudentie en verzekeringstechnische aspecten

Mr. ing. K.P. Barnhoorn

?Zekerheden en onzekerheden? omtrent aansprakelijkheid en kostenverhaal na asbestbrand.

In de Beursbengel van juni/juli 2004 schetst mr. drs. H.A.J. Tevonderen in zijn artikel ?Asbestverontreiniging na brand, wie draait er op voor de saneringskosten?? het beeld dat naar voren komt uit recente jurisprudentie over dit onderwerp.
Zijn conclusie is dat er inmiddels enige duidelijkheid is gekomen over de vraag wie gehouden is tot opruiming van bij brand vrijgekomen asbest en wie aansprakelijk is voor de daarmee gemoeide kosten. Verwarrend vindt hij echter de omstandigheid dat in het ene geval de ?drijver van de inrichting? en in een ander geval (wellicht) de opstaleigenaar voor de kosten moet opdraaien. Ook wijst hij op de juridisch zwakke positie van particulieren en bedrijven die geconfronteerd worden met een asbestverontreiniging door een naburige brand.
Kortom een weinig transparante situatie, waarbij er ook nog onduidelijk zou zijn op welke polis dit risico zou moeten worden ondergebracht. Ook kan gewezen worden op de omstandigheid dat in veel gevallen de huurder van een ?asbestpand?, tevens drijver van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, geen MSV-dekking heeft, omdat velen er tot dusverre van uitgingen dat hooguit de eigenaar van het pand aansprakelijk zou kunnen zijn. Hierdoor zou een grote groep, vooral MKB-bedrijven, onvoldoende dekking hebben voor een aanzienlijk risico dat ze lopen.

In dit artikel worden de ?zekerheden en onzekerheden? omtrent aansprakelijkheid en kostenverhaal na asbestbrand nagelopen waarbij aandacht wordt gegeven aan de verzekeringsoplossingen die inmiddels voor de diverse belanghebbenden beschikbaar zijn. Ook wordt aangegeven hoe de lokale overheid de zaak benadert.

Log in om het hele artikel te downloaden


Dossier

Jurisprudentie Schip & Schade
Jurisprudentie Algemeen

Log in om het hele artikel te downloaden


De aansprakelijkheid van kinderen van 14 jaar en ouder

D. Bethlehem

"

De laatste tijd worden we lezen we steeds vaker berichten over schade, al dan niet opzettelijk, veroorzaakt door jonge(re) daders. Zo ging in januari van dit jaar een loods, waarin een aantal caravans was gestald, in vlammen op. Oorzaak: brandstichting door twee kinderen. Door wie dient een dergelijke schade te worden vergoed? Met name wanneer het kinderen tussen 14 en 18 jaar betreft, rijst de vraag op wie de schade verhaald kan worden. De ouders roepen al snel, dat zij niet aansprakelijk zijn omdat zij zich kunnen beroepen op disculperende omstandigheden. Dit wekt bij een slachtoffer vaak gevoelens van onbegrip op. Immers, de kinderen zelf bieden geen verhaalsmogelijkheden omdat zij (nog) geen eigen inkomsten hebben. Als de ouders dan ook niet aansprakelijk zijn, blijft een gedupeerde zelf met de schade zitten.

Aansprakelijkheid ouders
In artikel 6:169 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald, dat ouders en voogden aansprakelijk zijn voor schade als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van hun kinderen, die de leeftijd van 14 jaar nog niet hebben bereikt. Er is sprake van risicoaansprakelijkheid, d.w.z. dat de ouders of voogden aansprakelijk zijn ook al hebben zij als ouder geen schuld aan het ontstaan van de schade. Wel moet vast staan dat de gedraging van het kind, waarvoor zij aansprakelijk zijn, onrechtmatig is geweest. Gemakshalve zal ik mij in het verdere verloop van dit artikel beperken tot de ouders. Het betreft in dit geval een schuldaansprakelijkheid met omkering van de bewijslast. Dit uitgangspunt werd door de Hoge Raad voor het eerst bevestigd ? na een periode waarin de meningen verdeeld waren over de kwestie of artikel 1403 lid 2 (oud BW) een schuld- of een risicoaansprakelijkheid vestigde op de ouders ? in een arrest van 26 november 1948 (NJ 1949/149. In zijn oordeel bepaalde de HR dat het tweede lid van (toen) artikel 1403 BW uitging van een vermoeden van schuld van de ouders (waartegen op grond van lid 5 tegenbewijs geleverd kon worden), omdat daaraan ten grondslag lag ?de veronderstelling dat de ouders het verwijt treft ten opzichte van het kind dat de schade veroorzaakt, niet de vereiste zorg te hebben aangewend?. Ook in later uitspraken werd dit uitgangspunt impliciet gehandhaafd, zie b.v. HR 9 december 1960 (NJ 1963/2), HR 9 december 1966 (NJ 1967/9) en HR 18 oktober 1985 (NJ 1986/226).
De kwalitatieve aansprakelijkheid van de ouders geldt uitsluitend voor schade als gevolg van een als doen te beschouwen (onrechtmatige) gedraging van hun kinderen. Twee kinderen van vier en vijf jaar oud zien dat over het voetpad naar de voordeur van een woning een touwtje is gespannen (niet door hen zelf gedaan). Zij verzuimen dit touwtje te verwijderen, terwijl zij een bezoeker, die naar de voordeur loopt, ook niet voor deze gevaarsituatie waarschuwen. Als gevolg hiervan komt deze bezoeker ten val en loopt lestel op. De ouders van de kinderen zijn niet aansprakelijk, omdat de gedraging van de kinderen bestond in een nalaten en niet een ?actief doen?. (HR 22 november 1974, NJ 1975/149).

"

Log in om het hele artikel te downloaden


De aansprakelijkheid van kinderen van 14 jaar en ouder

D. Bethlehem

De laatste tijd worden we lezen we steeds vaker berichten over schade, al dan niet opzettelijk, veroorzaakt door jonge(re) daders. Zo ging in januari van dit jaar een loods, waarin een aantal caravans was gestald, in vlammen op. Oorzaak: brandstichting door twee kinderen. Door wie dient een dergelijke schade te worden vergoed? Met name wanneer het kinderen tussen 14 en 18 jaar betreft, rijst de vraag op wie de schade verhaald kan worden. De ouders roepen al snel, dat zij niet aansprakelijk zijn omdat zij zich kunnen beroepen op disculperende omstandigheden. Dit wekt bij een slachtoffer vaak gevoelens van onbegrip op. Immers, de kinderen zelf bieden geen verhaalsmogelijkheden omdat zij (nog) geen eigen inkomsten hebben. Als de ouders dan ook niet aansprakelijk zijn, blijft een gedupeerde zelf met de schade zitten.

Log in om het hele artikel te downloaden


Kostbaarhedenverzekering in combinatie met inboedelverzekering

J. Eekma

In de examens voor de module B Particulieren en de examens voor de Basiscursus Intermediair tref ik vaak opgaven aan, waarin de combinatie van de inboedel- en kostbaarhedenverzekering centraal staat. Een logische keuze van de betreffende examencommissies. Met een dergelijke combinatie van onderwerpen, kan in ?`n of twee opgaven veel kennis van de examenkandidaten worden getoetst. Bovendien is een dergelijke opgave nog behoorlijk praktijkgericht ook. En praktijkgerichte vragen in een examen is toch een ultieme wens van ons allemaal? Elke medewerker van een assurantiekantoor heeft immers vaak met deze combinatie van verzekeringen te maken.

Uitgangspunt in dit artikel is de situatie van Hans en Petra. Hans en Petra gaan samenwonen en hebben een huis gehuurd in een dorp in Friesland. Ze willen van u een advies inzake de verzekering van de inboedel. In uw gesprek met het stel hoort u dat Petra onlangs een hoeveelheid sieraden van haar oma heeft ge?rfd ter waarde van ? 5.000,-. Bovendien is Hans een computer- en audiofreak en heeft voor ruim ? 8.000,- aan computer- en audioapparatuur. De nieuwwaarde van de overige inboedel schatten ze op ongeveer ? 75.000,-. Laten wij eens bekijken tegen welke problemen we bij het advies aanlopen. In de voorbeelden pas ik de getallen steeds zo aan dat die problemen zichtbaar worden.

Log in om het hele artikel te downloaden


Het nieuwe verzekeringsrecht

Mr. J.H.J. Teunissen en mr. S.M. Oude Alink

"

In deze tiende bijdrage over het nieuwe verzekeringsrecht wordt aandacht besteed aan de samenloop van verzekeringen en het onderling regres van verzekeraars.

Wat is samenloop?
Van samenloop van verzekeringen is sprake wanneer ten behoeve van ?`n verzekerde hetzelfde belang meer dan ?`n keer is verzekerd tegen hetzelfde gevaar en tegen dezelfde schade   het tijdstip van het evenement is beslissend voor de vraag van samenloop. Men spreekt ook wel van meervoudige of dubbele verzekering. Van samenloop is geen sprake wanneer men bijvoorbeeld twee brandverzekeringen sluit, de ene tegen schade aan de inboedel en de andere tegen schade aan de opstal of wanneer zowel de eigenaar als de huurder een Landmateriaalverzekering hebben afgesloten voor een shovel. Dan kan immers nooit ?`n en dezelfde persoon onder meer dan ?`n verzekeringsovereenkomst schadepenningen vorderen. Van samenloop is uiteraard ook geen sprake als het risico onder ?`n polis door meerdere verzekeraars gezamenlijk wordt gedekt, zoals bij beursverzekeringen vaak het geval is.
Een voorbeeld van een meervoudige verzekering is de verzekering van een partij wol, opgeslagen in een pakhuis en gedekt onder zowel een transportverzekering die doorloopt gedurende 30 dagen na aankomst in het pakhuis, als onder een brandverzekering.  Een ander heel bekend voorbeeld van meervoudige verzekering is de combinatie van een reisverzekering en een ziektekostenverzekering.

De regeling in het Wetboek van Koophandel
Artikel 252 WvK verbiedt om een zaak meer dan ?`n keer te verzekeren:
?Uitgezonderd de gevallen bij de wet bepaald, mag geene tweede verzekering gedaan worden, voor denzelfden tijd en voor hetzelfde gevaar, op voorwerpen, welke reeds voor derzelfder volle waarde verzekerd zijn, en zulks op straffe van nietigheid der tweede verzekering.?

"

Log in om het hele artikel te downloaden


Vaststelling voordeel uit sparen en beleggen bij overlijden

G.Th.W. Tekelenburg FB

"

Vanaf 1 januari 2001 wordt onder de Wet IB 2001 het inkomen uit sparen en beleggen op forfaitaire wijze vastgesteld. De fiscus gaat ervan uit dat over het gemiddelde van het  belastbare vermogen op 1 januari en 31 december van enig jaar een rendement is behaald van 4 %. Vervolgens wordt dat fictieve rendement belast tegen een tarief van 30 %. In het jaar van overlijden geldt als saldogrondslag voor box 3 het gemiddelde van het vermogen op 1 januari en op de datum van overlijden.
 
Fiscale partners
Gehuwden en geregistreerde partners zijn automatisch fiscale partners. Duurzaam niet geregistreerd samenwonende partners kunnen opteren voor fiscaal partnerschap. Opteren voor fiscaal partnerschap is mogelijk bij samenwonen met een vriend of vriendin, met een broer of zus of met een dochter of zoon. Er is sprake van het voeren van een gezamenlijke huishouding als gezamenlijk wordt voorzien in huisvesting en voeding. Ook als iemand nog gehuwd is, maar duurzaam gescheiden leeft van de echtgenoot is fiscaal partnerschap met een ander mogelijk. Gehuwden die duurzaam gescheiden leven worden fiscaal als ongehuwd aangemerkt.

Voor fiscaal partnerschap gelden de volgende voorwaarden:

  • de huisgenoten woonden meer dan zes maanden in het kalenderjaar onafgebroken samen en voerden een gezamenlijke huishouding en waren in die periode steeds    op hetzelfde woonadres ingeschreven bij de gemeente
  • de huisgenoten waren in de periode van samenwoning beiden 18 jaar of ouder
  • bij samenwonen tussen een vader of moeder met een kind geldt als eis dat zowel de ouder als het kind op 1 januari van het jaar van aangifte 27 jaar of ouder waren.
"

Log in om het hele artikel te downloaden


Dossier

Jurisprudentie Schip & Schade
Jurisprudentie Algemeen

Log in om het hele artikel te downloaden


Het nieuwe verzekeringsrecht, Deel 10: Samenloop van verzekeringen

Mr. J.H.J. Teunissen en mr. S.M. Oude Alink

"

In deze tiende bijdrage over het nieuwe verzekeringsrecht wordt aandacht besteed aan de samenloop van verzekeringen en het onderling regres van verzekeraars.

Wat is samenloop?
Van samenloop van verzekeringen is sprake wanneer ten behoeve van ?`n verzekerde hetzelfde belang meer dan ?`n keer is verzekerd tegen hetzelfde gevaar en tegen dezelfde schade   het tijdstip van het evenement is beslissend voor de vraag van samenloop. Men spreekt ook wel van meervoudige of dubbele verzekering. Van samenloop is geen sprake wanneer men bijvoorbeeld twee brandverzekeringen sluit, de ene tegen schade aan de inboedel en de andere tegen schade aan de opstal of wanneer zowel de eigenaar als de huurder een Landmateriaalverzekering hebben afgesloten voor een shovel. Dan kan immers nooit ?`n en dezelfde persoon onder meer dan ?`n verzekeringsovereenkomst schadepenningen vorderen. Van samenloop is uiteraard ook geen sprake als het risico onder ?`n polis door meerdere verzekeraars gezamenlijk wordt gedekt, zoals bij beursverzekeringen vaak het geval is.
Een voorbeeld van een meervoudige verzekering is de verzekering van een partij wol, opgeslagen in een pakhuis en gedekt onder zowel een transportverzekering die doorloopt gedurende 30 dagen na aankomst in het pakhuis, als onder een brandverzekering.  Een ander heel bekend voorbeeld van meervoudige verzekering is de combinatie van een reisverzekering en een ziektekostenverzekering.

De regeling in het Wetboek van Koophandel
Artikel 252 WvK verbiedt om een zaak meer dan ?`n keer te verzekeren:
?Uitgezonderd de gevallen bij de wet bepaald, mag geene tweede verzekering gedaan worden, voor denzelfden tijd en voor hetzelfde gevaar, op voorwerpen, welke reeds voor derzelfder volle waarde verzekerd zijn, en zulks op straffe van nietigheid der tweede verzekering.?

"

Log in om het hele artikel te downloaden